Pers

De pers over Een heldenleven:

NRC: ‘grotendeels geslaagd en opvallend debuut, ook dankzij een schrijfstijl die klinkt en rinkelt.’ ***

De Volkskrant: ‘Schrijven kan ze, Persis Bekkering.’ ***

AD: ‘sterke debuutroman’ ****

Parool: ‘een intrigerende exercitie’

Trouw: ‘intrigerend’

Knack: ‘… hoewel de geest van Mulisch door Een heldenleven waait, weet Bekkering te ontsnappen aan de schaduw van de grootmeester. Dat heeft ze vooral te danken aan haar verzorgde taalgebruik. Zelfs een korte sfeerscheppende zin krijgt altijd wel een kleine twist mee zodat je om de zoveel alinea’s even moet pauzeren om te genieten van die literaire oogsnoepjes. Ook opvallend: nooit heb je het gevoel dat je een debuut aan het lezen bent.’ ****

Dagblad van het Noorden: ‘Bekkering stelt niet zozeer de vraag welke van deze drie kunstenaarslevens nu het beste is. Eerder is dit verhaal een studie van karakters. (…) Dit fraaie debuut is een ode aan kunst en genieten van het bestaan of er bijna aan ten ondergaan, en het verschil daartussen.’ ****

Zin Magazine: ‘De energie spat er vanaf, in deze wervelende roman over de wonderbaarlijk getalenteerde Igor.’

Jan: ‘Een met muziek doorspekte roman, waarin twee verhaallijnen prachtig samenkomen.’

Tzum (Reinjan Mulder): ‘Schrijven over muziek kan eigenlijk niemand – behalve Persis Bekkering. Wat weet zij in dit boek goed weer te geven waar het in de muziek op aan komt! Niet door met saaie definities te komen of afgezaagde citaten, maar door het fenomeen muziek uit steeds weer andere hoeken te benaderen en in fraaie vergelijkingen op papier te zetten. Bladzijden lang weet Bekkering steeds weer de mooiste woorden vinden voor wat zich per definitie aan de taal onttrekt.’

Metro (Thomas Heerma van Voss): ‘Is helemaal perfecte kunst interessant? Of moeten er juist rafelranden overblijven? Die vragen vormen de basis van Een heldenleven, het interessante en grotendeels overtuigende debuut van Volkskrant-critica Persis Bekkering (1987). (…) Dit uitgangspunt verleidt Bekkering tot tal van gedachtes en beschouwingen en het is knap hoe ze de wereld van de klassieke muziek oproept, vol lyriek en beeldspraak.’